Dit is de eerste van een serie blogs over de culturele, historische en militaire wortels van Agile (lees: autonome teams) en hoe we deze lessen vandaag nog steeds toepassen (en regelmatig vergeten).
Blog 1: de militaire wortels van Agile.

Het is verleidelijk om Agile te zien als een moderne managementtrend, ontsproten aan softwareontwikkelaars in Silicon Valley. Maar wie dieper graaft, ontdekt een oudere, bredere en fundamentelere beweging: de strijd om zingeving, verantwoordelijkheid en autonomie in een wereld die liever beheerst dan vertrouwt.
“Agile is not a process, it’s a philosophy,” schreef Jim Highsmith in Adaptive Software Development (2002). Maar die filosofie ontstond niet achter een laptop, maar vond zijn basis op de slagvelden van 19e-eeuws Europa.
Om Agile (of het nou gaat om Agility, Autonomie, Zelfsturing, of andere termen) goed te begrijpen, duiken we in de militaire en culturele geschiedenis van Europa. We beginnen in 1806….
1806 – Vernedering als katalysator
De militaire catastrofe van Pruisen bij Jena en Auerstedt in 1806, tegen het leger van Napoleon Bonaparte, was een keerpunt. Hervormers als Gerhard von Scharnhorst en August von Gneisenau beseften dat de gecentraliseerde bevelvoering van het Pruisische leger fundamenteel tekortschoot tegenover het meer flexibele en autonome korpssysteem van Napoleon.
De Pruisische oplossing: het opleiden van denkkracht in plaats van volgzaamheid. De basis werd gelegd voor Auftragstaktik: het geven van duidelijke doelen (Aufträge), waarbij de uitvoering expliciet wordt overgelaten aan de uitvoerder, mits deze handelt in lijn met de strategische intentie.
Helmuth von Moltke de Oudere, vanaf 1857 Chef van de Generale Staf, formuleerde het kernprincipe als volgt:
“Kein Operationsplan reicht mit einiger Sicherheit über das erste Zusammentreffen mit dem feindlichen Hauptkräfte hinaus. Nur die erste Disposition ist vielleicht noch planbar. Aber dann kommt es einzig auf die Entschlusskraft der Einzelnen an.”*
(Helmuth von Moltke, 1871 – zie citatie bij Citino, 2004)
Oftewel: plannen zijn nuttig tot het eerste contact met de vijand. Daarna is het aan de besluitvaardigheid van individuen om het initiatief te nemen.
Auftragstaktik is daarmee fundamenteel anders dan het Angelsaksische Command & Control-model. Het vertrouwt op oordeelsvorming, moreel kompas, en wederzijds begrip — niet op orders en controle. Autonomie wordt hier overigens dus niet gepositioneerd als vrijblijvendheid, maar als morele plicht tot initiatief en afstemming, op basis van een helder doel en gedeelde context.
* deze uitspraak wordt vaak verbasterd tot een variant op Murphy’s Law, ‘no battleplan survives initial contact with the enemy’. En hoewel dat een uitstekende richtlijn is als het gaat over het maken van plannen, is de kern van de boodschap dat het gaat over wat de ‘boots on the ground’ dan doen.
1870 – De Frans-Duitse Oorlog:
Autonomie in actie
De Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871 vormt een van de eerste grootschalige toepassingen van Auftragstaktik. Terwijl het Franse leger nog werkte met gecentraliseerde bevelslijnen en een strikte hiërarchie, kregen Pruisische commandanten ruimte om zelf beslissingen te nemen — zolang ze in lijn waren met de strategische intentie van de generale staf.
Von Moltke’s principe was simpel maar krachtig:
“Vertel wat bereikt moet worden — niet hoe het moet.”
Veldcommandanten kregen de vrijheid om zelf beslissingen te nemen over de uitvoering, omdat zij de situatie ter plekke beter kon inschatten dan een staf in Berlijn. In plaats van te wachten op orders, pasten eenheden zich realtime aan op basis van omstandigheden, doelen, en flankerende eenheden.
De eerste weken van de oorlog verliepen overigens in het voordeel van de Fransen. Hun beroepsleger had een voorsprong in mobilisatie en tactische flexibiliteit. Toch kantelde de balans. De onderlinge afstemming in het Franse leger was gebrekkig en initiatieven werden niet genomen uit angst voor repercussies. Het Pruisische leger daarentegen — met een effectieve generale staf, betere informatieverwerking en vertrouwen in het initiatief van ondercommandanten — begon terrein te winnen.

De beslissende Slag bij Sedan illustreerde de kracht van horizontale afstemming: de omsingeling van het Franse leger was niet vooraf gepland, maar ontstond doordat commandanten aan verschillende flanken gelijktijdig kansen herkenden — en daarop durfden handelen. Het was het resultaat van:
- Verticale helderheid vanuit Berlijn: de strategische doelen waren duidelijk gecommuniceerd.
- Horizontale samenhang tussen commandanten in het veld: dankzij gezamenlijke opleiding, gedeelde doctrine, en wederzijds vertrouwen.
De Pruisen handelden sneller én intelligenter. Het Franse leger, zonder flexibiliteit en met logge bevelstructuren, werd strategisch verrast en moreel verlamd.
Ironisch genoeg was het Napoleontische leger van 1806 juist een voorloper van deze autonomie. Napoleon gaf zijn korpsen veel ruimte, wat historici als Martin van Creveld beschrijven als l’intention du chef. Maar in 1870 was dit leiderschapsmodel in Frankrijk grotendeels verdwenen. De Pruisen hadden het echter geïnstitutionaliseerd.
De lessen uit 1870?
- Als de intentie helder is, en het vertrouwen aanwezig, dan schaalt initiatief.
- Als afstemming horizontaal plaatsvindt — niet alleen top-down — wordt een organisatie wendbaarder.
Meer lezen: Howard, M. The Franco-Prussian War: The German Invasion of France, 1870–1871 | Citino, R.M. The German Way of War: From the Thirty Years’ War to the Third Reich.
De Missiegerichte Bevelvoering (“Auftragstaktik”) van de Pruisische generale staf wordt terecht gezien als het formele beginpunt van missiegericht bevelen geven. Toch is het idee van autonomie op het slagveld veel ouder. In de lange en rijke krijgshistorie van Europa vinden we talrijke voorbeelden van situaties waarin decentralisatie, initiatief en intentie leidend waren boven rigide bevelstructuren.
Hierbij neem ik twee klassieke voorbeelden uit het oude Griekenland: de maritieme tactieken van Athene en de veldtochten van Alexander de Grote. Zij tonen aan dat de principes achter Missiegerichte Bevelvoering — hoewel pas later geïnstitutionaliseerd — diep geworteld zijn in militaire praktijk en leiderschap.
Meer lezen: Auftragstaktik en het Pruisische/Duitse leger 1850-1945, Jaap Jan Brouwer
Tactische autonomie op zee:
de triremen van Athene

De Atheense vloot was in de vijfde eeuw voor Christus het technologisch en strategisch neusje van de zalm. De trireem, een licht en wendbaar oorlogsschip met drie rijen roeiers, werd bestuurd door een zogeheten trierarch, een kapitein met aanzienlijke tactische vrijheid:
- Admiraals formuleerden een algemeen strijdplan: omsingeling, doorbraak, misleiding.
- De trierarchoi (Trireme-kapiteins) interpreteerden dit plan op het moment zelf, tijdens de chaos van de zeeslag.
- Besluitvorming op het water gebeurde in seconden, zonder directe bevelvoering van bovenaf.
De Slag bij Salamis (480 v.Chr.) vormt een cruciaal voorbeeld. De Perzische vloot was numeriek superieur, maar door slimme manoeuvres in nauwe zeestraten en dankzij de autonomie van de Atheense kapiteins kon de Griekse alliantie winnen. Herodotus beschrijft hoe Themistocles het strijdtoneel bewust zo koos dat individuele schepen flexibel moesten reageren op lokale dreigingen (Herodotus, Histories, Boek 8; Barry Strauss, The Battle of Salamis (Simon & Schuster, 200).
Niet alleen op zee, maar ook op land zijn er al klassieke voorbeelden van missiegedreven bevelvoering:
Alexander de Grote
Alexander III van Macedonië — beter bekend als Alexander de Grote — voerde een van de meest ambitieuze en succesvolle militaire campagnes uit in de geschiedenis. Zijn kracht lag niet alleen in strategie, maar ook in zijn vermogen om beslissingen te delegeren aan bekwame veldheren.
Belangrijke principes in Alexanders commandovoering:
- Operaties waren doelgericht, niet voorschrijvend.
- Generaals zoals Parmenion, Hephaestion en Craterus kregen de vrijheid om binnen de strategische intentie zelfstandig te handelen.
- Zijn leger was mobiel en modulair: meerdere legerelementen opereerden semi-onafhankelijk, zonder voortdurende supervisie.

Bij de Slag bij Gaugamela (331 v.Chr.) kwam dit tot uiting. Terwijl Alexander het centrum van het slagveld aanviel, reageerden zijn flankeeneenheden zelfstandig dreigingen — zonder directe instructie. Dit vergde een flinke afstemming op doel en tempo – en groot vertrouwen.
Een aantal andere voorbeelden uit de oudheid, tot 1870.
Het Romeinse leger, vooral in de late Republiek en vroege Keizertijd, was een toonbeeld van strakke organisatie, hiërarchie en discipline. Maar juist binnen die structuur bestond ook ruimte voor lokaal initiatief — vooral in het middenkader.
- Centurio’s, commandanten van een centuria (ca. 80 man), hadden aanzienlijke autonomie op het slagveld.
- Veldheren als Scipio Africanus en Julius Caesar vertrouwden op onderbevelhebbers om situaties zelfstandig te beoordelen en te handelen, zolang het einddoel maar helder was.
Een beroemd voorbeeld hiervan is de Slag bij Zama (202 v.Chr.), waarin Scipio Africanus zijn cavalerie bewust met ruime instructies stuurde, wat leidde tot een succesvolle omsingeling van Hannibal.
Toch ontbrak aan het Romeinse systeem een expliciete doctrine zoals de latere Auftragstaktik. Autonomie werd getolereerd, maar was impliciet en sterk afhankelijk van persoonlijke banden en reputatie.
Meer lezen: Lendon. Soldiers and Ghosts: A History of Battle in Classical Antiquity.
Het Mongoolse leger van Genghis Khan in de 13e eeuw was ongeëvenaard in snelheid, flexibiliteit en operationele slagkracht. En dat was geen toeval:
- Het leger was georganiseerd in eenheden van 10, 100, 1000 en 10.000 (arban, zuun, mingghan, tumen).
- Elke eenheid had de opdracht om zelfstandig te kunnen functioneren met duidelijke doelen.
- Geavanceerde signalering, verkenning en planning maakten realtime bijsturen mogelijk.
De tactiek van ‘feigned retreat’ (geveinsde terugtocht) werkte alleen omdat ondercommandanten exact wisten wanneer ze moesten omslaan naar een tegenaanval — zonder extra bevel.
De Mongolen pasten dus in de praktijk een zeer effectieve vorm van missiegericht bevel toe, al was deze niet geformaliseerd in leerboeken of doctrines. Loyale familierelaties en bloedbanden vervingen hier deels de doctrine.
Meer lezen: Weatherford. Genghis Khan and the Making of the Modern World.
De legers van Saladin (1137–1193), vooral tijdens de kruistochten, werkten vaak met autonome lichte cavalerie-eenheden die razendsnel en doelgericht opereerden:
- Flexibiliteit was noodzakelijk in confrontaties met westers zware infanterie.
- Saladin gaf zijn commandanten vaak kaders, geen strikte instructies.
- Guerrilla-achtige operaties, hinderlagen en flankerende manoeuvres vormden de kern van zijn strategie.
De Slag bij Hattin (1187) is hiervan een goed voorbeeld: door zijn troepen te positioneren op meerdere assen, dwong Saladin de kruisvaarders in een dodelijke uitputtingsmars.
Hoewel Saladin sterk vertrouwde op de intelligentie van zijn officieren, was er ook hier geen institutionele verankering van autonomie — het systeem was persoonsgebonden en sterk afhankelijk van context, religieus leiderschap en charisma.
Meer lezen: Lyons & Jackson, Saladin: The Politics of the Holy War.
Wat ontbrak er nog aan?
Dus hoewel legerleiders van Athene en Alexander tot Saladin kenmerken vertoonden van wat wij nu Missiegerichte Bevelvoering, Auftragstaktik of Mission Command zouden noemen, ontbraken een aantal essentiële voorwaarden voor structurele autonomie:
| Element | Klassieke voorbeelden | Pruisisch model, “Auftragstaktik” |
|---|---|---|
| Doctrinaire verankering | Nee – afhankelijk van leiderschap | Ja – opdrachtgerichte leer |
| Middenniveau | Afwezig | Sterk ontwikkeld (junior) officierenkorps |
| Institutionalisering | Ad hoc | Ingebed in stafsystemen |
| Herhaalbaarheid | Gebaseerd op persoonlijk talent | Gebaseerd op doctrine en training |
De klassieke autonomie (tot en met Napoleon Bonaparte) was dus afhankelijk van individueel leiderschap, charisma en ervaring — niet van systematische leer of gedeelde doctrine. Dat maakte het krachtig, maar ook kwetsbaar. Pas met Von Moltke’s Pruisen werd autonomie structureel.
In mijn volgende blogpost ga ik in op historische en culturele wortels van autonomie en zelfsturing.
